Stel: je organiseert een event, een teamdag, een klantbijeenkomst. Je filmt er iets van. Enthousiaste deelnemers, een mooi moment. Je zet de video op YouTube. Je hebt een formulier laten ondertekenen bij de ingang. Klaar.
Tot iemand je belt en vraagt: “Kun je die video weghalen?”
Dat is precies de situatie die in april voor de rechter in Rotterdam lag. Een bedrijf had een spelshow georganiseerd, gefilmd en online gezet. Een deelnemer vroeg de video te verwijderen. Het bedrijf weigerde. De rechter oordeelde dat de video binnen 24 uur offline moest. De dwangsom liep op tot 50.000 euro.
Niet omdat het bedrijf kwaadwillend was. Maar omdat het formulier dat bij de ingang werd getekend, geen geldige toestemming was.
Wat er juridisch speelde
De rechter keek naar de AVG. En de redenering is simpel.
Een video waarop iemand herkenbaar in beeld is, is een persoonsgegeven. Publiceren op YouTube is verwerken. Dus valt het onder de AVG. Tot zover weinig verrassend.
Maar dan de toestemming. Die moet specifiek zijn. De deelnemer moet weten waarvoor ze tekent. Een algemeen formulier bij de ingang (“ik geef toestemming voor gebruik van beeldmateriaal”) is niet specifiek genoeg als de inhoud van het materiaal vooraf onduidelijk is.
En zelfs als de toestemming geldig was geweest: iemand mag die altijd intrekken. Daarna heb je geen grondslag meer. Dan moet het weg.
Het bedrijf probeerde het nog via een andere route: gerechtvaardigd belang. Dat is de grondslag die je gebruikt als er geen toestemming is maar je toch meent dat je een legitieme reden hebt om iets te publiceren. De rechter vond dat belang niet zwaar genoeg wegen. De wil van de betrokkene ging voor.
Wat dit voor jou betekent
Als ondernemer maak je waarschijnlijk ook video’s. Teamfoto’s op de website. Klanten die iets vertellen op camera. Een impressie van een opening. Medewerkers in een bedrijfsvideo.
Allemaal prima. En allemaal valt het onder de AVG als er mensen herkenbaar in beeld zijn.
Het gaat niet om het filmen zelf. Het gaat om het publiceren. En voor publiceren heb je een grondslag nodig. Meestal is dat toestemming. En toestemming werkt pas als de persoon weet waarvoor hij tekent.
Dat klinkt als meer werk dan het is. In de praktijk betekent het drie dingen.
Vertel wat je gaat publiceren en waar. “We filmen vandaag voor een YouTube-video over ons bedrijf” is beter dan een vage zin op een intekenformulier. Hoe specifieker, hoe sterker je staat.
Vraag schriftelijke toestemming per gebruik. Niet een algemene toestemming bij binnenkomst, maar een formulier dat beschrijft wat je gaat doen. Een handtekening onder “ik geef toestemming voor gebruik van mijn beeltenis in een YouTube-video op het kanaal van [bedrijfsnaam]” is veel concreter dan “beeldmateriaal”.
Zorg dat je weet wat je moet doen als iemand zegt: haal het weg. Wie beslist? Wie verwijdert het? Hoe snel? In de zaak in Rotterdam was de druk hoog omdat het bedrijf stellig bleef. Daardoor verhoogde de rechter de maximale dwangsom. Een werkend proces had dat voorkomen.
De ondernemer die dit goed regelt
Ik zie ondernemers die dit soort zaken lezen en denken: “Dat overkomt mij niet, ik maak professionele content.” Dat begrijp ik. Maar de spelshow in Rotterdam was ook professioneel opgezet. Het probleem zat niet in de intentie maar in het papierwerk.
Een goed formulier kost je een middag. Een heldere werkwijze (“als iemand vraagt om verwijdering, dan…”) kost een uur. En dan staat je videobeleid op orde.
De meeste ondernemers die ik spreek, lopen niet vast op de grote AVG-vraagstukken. Ze lopen vast op de kleine dingen die ze nooit hebben vastgelegd: een formulier dat te vaag is, een proces dat niet bestaat, een vraag die ze niet hadden zien aankomen.
Dit is zo’n vraag. En het antwoord is makkelijker dan je denkt.
Bron: ECLI:NL:RBROT:2026:4682, Rechtbank Rotterdam, 17 april 2026