Blog

Het inzagerecht als breekijzer

Johan Antonissen

De ruzie loopt al. Een medewerker is op staande voet ontslagen. Een leverancier en een klant zitten in een geschil over een factuur. Een ouder is het oneens met een docent over de begeleiding van zijn kind. En dan, midden in dat conflict, ligt er ineens een brief: “Ik wil inzage in alle persoonsgegevens die u over mij verwerkt.”

Dat verzoek gaat zelden over privacy. Het is een zet in een spel dat ergens anders over gaat.

Het recht op inzage uit de AVG is bedoeld als controle-instrument. Je mag weten wat een organisatie van je vastlegt, zodat je kunt nagaan of dat klopt en of het mag. Een mooi recht. Maar steeds vaker zie ik het ingezet als drukmiddel, als manier om een dossier binnen te halen, of gewoon om de tegenpartij werk en ongemak te bezorgen.

De vraag die ondernemers en scholen mij stellen is simpel: moet ik daar dan altijd aan meewerken?

Waar het inzagerecht voor bedoeld is

Eerst even waarom dit zo lastig ligt.

Het inzagerecht is een grondrecht. De wet vraagt niet waaróm je inzage wilt. Je hoeft geen reden te geven, geen belang aan te tonen, niets. Het Europese Hof van Justitie zei dat in 2023 nog met zoveel woorden: het motief van de verzoeker doet er in beginsel niet toe (zaak C-307/22). Iemand die inzage vraagt om vervolgens naar de rechter te stappen, heeft net zo goed recht op die inzage als iemand die het uit nieuwsgierigheid vraagt.

Daar zit precies de spanning. Omdat het motief er niet toe doet, kun je een verzoek niet weigeren met het argument “u bent toch alleen maar uit op het dossier voor uw ontslagzaak”. Dat is op zich waar, maar juridisch geen grond.

Steeds dezelfde brief, steeds een ander conflict

In de praktijk komt het breekijzer in steeds andere gedaanten terug, maar het patroon is hetzelfde.

Het bekendste voorbeeld is de werknemer na een conflict. Iemand is ontslagen of zit in een slepende ruzie met de werkgever, en vist naar bewijs. Alle e-mails waarin zijn naam valt, alle beoordelingen, alle interne appjes over zijn functioneren. Niet om te controleren of de loonadministratie klopt, maar om iets te vinden voor de zaak die hij aan het opbouwen is.

In het onderwijs zie je het rond een conflict met een docent. Een ouder die het oneens is met de aanpak vraagt inzage in alle communicatie over zijn kind, deels om munitie te verzamelen tegen die ene leraar. De school zit klem: een grondrecht aan de ene kant, de privacy van de docent en van andere leerlingen aan de andere kant.

Bij een zakelijk geschil wordt inzage een hengel. Een leverancier of klant vraagt alles op wat de ander over hem heeft vastgelegd, in de hoop op een uitspraak in een mailtje of een interne notitie die in de onderhandeling van pas komt.

En het houdt daar niet op. Een ex-partner in een vechtscheiding die bij de werkgever, de bank of de hulpverlening van de ander inzage vraagt om aan informatie te komen die hij in de rechtszaal kan gebruiken. Een afgewezen sollicitant die de interne aantekeningen opvraagt om een verhaal over discriminatie op te bouwen. Een ontevreden klant die na een klacht inzage inzet als drukmiddel om alsnog zijn zin te krijgen. Een lid dat ruzie heeft met het bestuur van zijn vereniging of VvE en via een inzageverzoek de communicatie van de bestuursleden boven tafel wil halen.

In al die gevallen gaat het verzoek formeel over privacy, maar feitelijk over iets heel anders. En precies daarom is het zo lastig: de inhoud van de brief is volkomen legitiem, de bedoeling erachter is dat niet.

Wat het Hof nu zegt

In maart 2026 deed het Hof van Justitie een uitspraak die hier voor het eerst een opening biedt. De zaak heet Brillen Rottler, naar een Duitse opticien.

Iemand schreef zich in voor de nieuwsbrief van die opticien en diende dertien dagen later een inzageverzoek in. Het bedrijf rook onraad: dit leek iemand die overal verzoeken indient, niet voor de inzage zelf, maar om daarna een schadevergoeding te kunnen claimen. Het weigerde.

Het Hof gaf het bedrijf gedeeltelijk gelijk. Zelfs een allereerste inzageverzoek kan in uitzonderlijke gevallen buitensporig zijn wegens misbruik van recht. Maar, en dat is de kern, alleen als aan twee voorwaarden tegelijk is voldaan.

Ten eerste moet vaststaan dat de verzoeker het eigenlijke doel van het inzagerecht helemaal niet nastreeft. Hij wil dus niet controleren of zijn gegevens kloppen of rechtmatig worden verwerkt. Ten tweede moet blijken dat hij het recht bewust misbruikt, bijvoorbeeld door zelf kunstmatig de situatie te creёren waarin zo’n recht ontstaat, puur om er een voordeel uit te halen.

Beide moeten kloppen. En de bewijslast ligt volledig bij de organisatie. Jij moet aantonen dat er misbruik is, niet de verzoeker dat hij te goeder trouw is. De lat ligt hoog, en dat is maar goed ook. Een inzagerecht dat je bij de eerste irritatie opzij kunt schuiven, is geen grondrecht meer.

Zorg dat je hier niet op nat gaat

Hier komt het punt dat in de praktijk het meeste verschil maakt. Of een verzoek nu zuiver is of een breekijzer, je verdediging begint bij twee dingen die je sowieso op orde moet hebben.

Het eerste is tijd. Je hebt in beginsel een maand om een inzageverzoek te behandelen. Die termijn loopt door, ook als je het verzoek vervelend vindt of vermoedt dat het misbruik is. Te laat reageren is je eigen blunder, en het ondermijnt elk later verhaal dat je een correcte organisatie bent die alleen aantoonbaar misbruik weigert. Begin dus op tijd, ook als je nog twijfelt of je iets gaat weigeren.

Het tweede is je dossier. Inzage geven kan alleen netjes als je weet wat je hebt en waar het staat. En het helpt om te beseffen dat lang niet alles wat je hebt onder het verzoek valt. Het inzagerecht gaat over de persoonsgegevens van de verzoeker, niet over alle interne communicatie waarin zijn naam toevallig valt. Onderlinge mail tussen collega’s, intern overleg en werkaantekeningen vallen er meestal buiten. Je hoeft dus geen mailboxen leeg te trekken. Je levert de gegevens die echt over de verzoeker gaan, en waar in die gegevens een ander voorkomt, een collega, een andere ouder of een andere leerling, scherm je dat af. Een dossier dat op orde is, laat je precies leveren wat moet en weglaten wat niet hoeft.

Juist die twee dingen maken het verschil. Wie op tijd reageert en een geordend dossier heeft, kan een verzoek rustig behandelen en, als het echt nodig is, onderbouwd standhouden. Wie het laat liggen of zijn zaken niet op orde heeft, staat zwak, ook als het verzoek inderdaad puur als drukmiddel was bedoeld.

Tot slot

Het inzagerecht blijft een grondrecht. Misbruik is de uitzondering, niet de regel, en het Hof houdt die uitzondering bewust smal. Je gaat dus niet weigeren uit reflex, en je behandelt een vervelend verzoek net zo serieus als een gewoon verzoek.

Maar je hoeft je ook niet machteloos te voelen als de AVG tegen je wordt gebruikt in een ruzie die nergens met privacy te maken heeft. Reageer op tijd. Houd je dossier op orde, met respect voor de mensen die er verder in voorkomen. Doe je dat, dan is een inzageverzoek nooit een verrassing. Hooguit een zet die je rustig kunt pareren.

Bron: Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 maart 2026, zaak C-526/24 (Brillen Rottler). Eerdere uitspraak over het motief van de verzoeker: HvJEU 26 oktober 2023, C-307/22 (FT/DW).

Geschreven door Johan Antonissen van Privacy in Bedrijf.

Meer lezen?

Bekijk onze andere artikelen of neem contact op als je vragen hebt.